Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar boegbeeld had weggehaald, want daar liep nog een oude quaestie met dat kantoor, over een partij achtergelaten sloophout op haar nieuwe werf. Maar Leendert wist haar van dat bezoek af te houden; ze trokken naar zee.

Dien avond waren ze thuis. Cato liep, alsof ze aan een touw vast zat, zoo stram naar haar woning. Den sleutel vonden ze bij de geburen. Daar stond ze in haar nieuw huis, dat naar verf en versche dekens rook. Hier moest ze een nieuw bedrijf en een nieuw leven beginnen. Een nieuw bedrijf, dat haar toch eigenlijk niet vreemd was.... een nieuw leven als getrouwde vrouw, dat haar aantrok en benauwde tevens.

Haar gang naar hun beider slaapvertrek was als een folterweg. Heftig werkten haar hersens: dit heb je verlangd.... welnu, je hebt het bekomen. Hiervoor heb je Marius verlaten, de werf van vader aan hem overgegeven, je werkvolk in zijn hand gegeven, de oude vertrouwde gangen van huis naar de keet, van de keet naar de hellingen, van de hellingen naar den wal met het boegbeeld.... alles heb je prijs gegeven. Je hebt gewild het leven van de vrouw te ervaren: welnu Cato.... aanvaard dan.

Het hamerde in haar hoofd, het was, of ze de vracht van heur haren voelde, heur haren die ze — voor 't eerst in haar bestaan — voor de oogen van een man loswikkelen zou. Nu moet ik blij zijn.... zoo sprak ze zichzelve in en nu moet ik goed zijn voor Leendert en gedwees En naar hem luisteren. De vrouw zal luisteren naar haar man en doen naar zijn wil.

Ze kon bekant niet meer loopen. Al haar lichamelijke kracht was saamgekrompen in haar prangend-werkende hersenen. Maar Leendert was daar. Hij steunde zijn vrouw, voerde haar de kamer binnen, sloot de deur. Voor haar oogen wirrelde het van onsamenhangende beelden: ze zag een helling en ze zag profielen en nagels en plaat, ze zag

11

Sluiten