Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IX ZEEBOOTJES BOUWEN

Er ligt weer een schip in 't Zaagmolengat voor den wal van den Ruigenhil. En er wordt staal van dat schip gelost. Vuur brandt in de stoomkraan en er zijn mannen doende op de bok, die versleept wordt naar de Alblas. Cato draaft over haar werf en schreeuwt haar bevelen. Want die moeten gehoord worden, boven 't aangename lawaai uit van staal, dat verladen wordt. Ze neemt werkvolk aan, afgezakt op het gerucht, dat de Ruigenhil weer in bedrijf komt, ze scheept handelaren af, ordineert doorloopend het sjouwersvolk.... Ze is bek af iederen avond. Maar haar bedrijf gaat ontwaken, haar werf verkrijgt het aanzien, dat zij gewenscht heeft. In de loodsen hebben de nieuwe electromotoren proef gedraaid, er is drijfwerk verplaatst en machines zijn opgebroken, om elders weer in bedrijf te worden gesteld. Want ze wil, dat het werkproces ordelijk verloopt en dat er zoo weinig mogelijk met het materiaal moet worden gesleept. De vorige eigenaar heeft daar blijkbaar maar weinig begrip van gehad.

Ze inspecteert de opslagperrons van het hout, het staalmagazijn, de profielvloeren, ze geeft plaatsen aan waar de verf- en teertonnen moeten worden opgesteld, ja, daar is geen nagel, geen drevel, geen dolly of ze weet in 1 vervolg, waar die te vinden zijn.

Voor 't handgereedschap heeft ze borden laten timmeren en haar schilder zet daar de vormen van 't gereedschap op uit. Een boete zal ze stellen op 't wegmaken van dat kostbaar handgereedschap. Haar magazijnmeester teekent

Sluiten