Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat was een fortuinlijk begin. „We worden daar vast niet slechter van, Leendert," zei Cato, toen de ingenieur de werf verlaten had.

„Toch vind ik dat snelle besluiten verdacht."

„Hoe bedoel je dat?"

„We zijn te goedkoop geweest."

„Maar 't gaat toch ruim."

„Meer dan dat. Er wordt zwaar aan verdiend. Maar koop vandaag eens materiaal bij. De prijzen groeien met den dag. Er zit jacht in."

„Ik geloof het graag, Leendert. Maar de eerste winst is de beste en we hebben 't materiaal op de werf voor de schuit. Laten we in dezen wilden tijd maar niet te veel risqueeren en altijd maar de eerste winst nemen."

En ze bouwden verder aan het vrachtbootje en ze bouwden verder aan hun leven. Want de drift van het werk voerde hen dag aan dag toteen en dat was noodig. Want eiken avond, als het werkvolk weggeluid was en ook de boordjesmeneeren de teekenkamer hadden verlaten, moest zij zich er weer aan gewennen, dat ze dan ophield baas te zijn van een marcheerend bedrijf en terugweek tot huisvrouw van Leendert Streefkerk, haar man.

Hij viel haar mee, ze moest dat erkennen. Hij verkeerde rechtvaardig met haar en deed geen drieste dingen met het geld, hetgeen ze wèl van hem verwacht had, omdat hij het geld nooit heeft leeren kennen tevoren. Hij was ook goed voor haar, zorgzaam en verdurend haar grauwen, die ze nogal eens over hem losliet. En als ze hem gevoelen deed, dat het haar bedrijf betrof, haar geld, haar risico, dan haalde hij alleen maar z'n schouders op: „Mensch, raak je nou nooit eens zatgedronken aan die gedachte? Goed.... de werf is van jou, en jouw geld steekt er in. Maar jij bent van mij en wij zijn van mekaar. Wat kan de rest me schelen. Als jij rijker wordt, word ik het. Als jij verarmt, verarm ik."

Maar als jij verarmt, dan heb ik nog m'n werf — wou ze toen zeggen, doch ook Cato leerde, haar soms veel te

Sluiten