Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

al uit begrepen. In den man leven er twee: de werker en de zwelger. En dat verstaat ze niet. Zij is voor het werk geboren en aan het werk heeft ze schoon genoeg.

Nu zou ze Bart Zwartewaal wel eens willen ontmoeten en hem op zijn gezicht timmeren, om z'n onbeschaamde praatjes van eertijds. Nu is ze dan vrouw, nu weet ze wat dat leven is met een man, waar de bestemming van iedere vrouw uit zou bestaan. Iedere vrouw? Het zou wat. Gelijk er werkpaarden en heerenpaarden bestaan, zoo zijn er vrouwen voor het werk geboren en opgetuigde mooie madammekes, die dartel door 't leven draven. Zij is een werkpaard, dat sjouwen moet en den arbeid niet als een vloek gevoelt, maar er voldoening uit drinkt.

We hadden compagnon moet worden, Leendert en ik.... denkt ze vaak. 't Zal niet zijn, dat een vrouw, die eigenlijk compagnon is, te bedde trekt met haar gezel in het werk. En zeker niet waar 't een werk van de importantie als een bloeiend bedrijf in oorlogstijd betreft. Ze praat daarover met Leendert. Maar dan wordt hij woest en slaat met de vuist op tafel. „Eén nacht!" roept hij uit. „En nog wel de eerste na ons trouwen, heb je je voor me verscholen en dat nooit meer! Liever steek ik heel de werf in brand, dan dat ik je weer verloor. Ik heb je uit de Kroonprinces weggehaald en ik hou je. Een vrouw hoort een te zijn met haar man!"

„Wat allemaal hoort, weet ik zoo niet. Als ik rond me kijk, leven alle vrouwen anders dan ik. Nergens zie ik een vrouw, die 't bedrijf leidt."

„Slagersvrouwen staan in den winkel en ga eens kijken in de café's."

„Man, ik beklaag me niet, zet dat uit je hoofd. Maar ons huwelijk is toch al anders dan gewoon."

„Cato," zegt hij dan: „je geeft me al zoo weinig. Toen je ging trouwen, heb je van jullie werf een houten beeld meegenomen. Je hebt zelfs onze werf ernaar genoemd. Ik heb dezer dagen dat beeld eens aangekeken. Die vrouw kijkt ergens in 't wijde weg, ze kijkt je niet aan. Jij bent

Sluiten