Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook zoo, Cato. Twee houten beelden zijn jullie. Ik kijk jou aan, want ik hou van je, ik verlang naar je, ik ben vaak blij als een schooljongen, wanneer ik je de bel van zes uur hoor luien.... maar jij kijkt me niet aan. Jij bent als dat houten beeld. En ik kan dat nog verdragen, omdat we overdag tenminste een zijn van willen, maar 't is zwaar te verduren, Cato."

„Wat wil je dan? Dat ik je naloop, dat ik je zoen en

aai ?"

„Och, vrouw, je verstaat me niet."

„Ik geloof, dat ik geenen man versta. Je mag waarnemen van ze, dat ze sterk zijn als beren, dat ze een drieduims nagel met hun vuist in een badding kunnen slaan.... tegenover een vrouw zijn ze week en onnoozel en jammeren ze als keinderen. Is al die onnoozele lievigheid nou echt zoo hard noodig? Waar heb ik jou leeren waardeeren. Achter de slaapkamerdeur.... of op de werf. Geef jezelf maar antwoord."

„Ben je niet bang, Cato, dat ons huwelijk kapot gaat op den duur en een bezoeking wordt?"

„Zoolang de werf floreert en jij en ik daar tierigheid aan beleven, hebben we samen pleizier in ons bestaan."

„Ja, als je m'n compagnon waart, zooals je 't daarnet noemde."

„Laten we dat dan zijn, van vandaag af. 't Is maar een beloven en 't gezeur is voorbij."

„Als ik, Cato, in jou een compagnon had en dat alleen, dan zou ik een vrouw ontberen."

„Kan je dan niet zonder een vrouw?"

„Ik denk het niet. En zou m'n compagnon dat willen inzien en vrindschappelijk zijn tegen de vrouw, die ik dan in m'n huis zou halen? Ja, stel je dat eens voor, Cato."

„Ik zou je een vuilen smeerlap vinden, en dat is alles wat ik er van zeg. Laten we er maar over ophouden, manvolk, ik heb het toch jarenlang op de Kroonprinces langs m'n rokken zien draaien, vooral toen ik nog jonger was,

Sluiten