Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't manvolk drijft allemaal een en denzelfden kant op."

„Denk niet Cato, dat ik het meende. Ik wil vast en zeker naast jou geen ander. Ik heb jou en ik zou den gelukkigsten man van wijd en zijd zijn, als jij mij ook net zoo graag had. Maar jij hebt de werf, de werf heeft jou."

„Onnoozele praat. Jij hebt toch óók hart voor de werf? Als ik daar nu toch genoeg aan heb en naar geen ander verzetje meer taal, is dat toch levend bewijs, dat dat kan! Vooral als een mensch dat wil. Denk jij, Leendert, dat ik nooit van die halfzachte gedachten heb gehad? Zou ik nooit gemeend hebben, dat er alleen maar geluk voorhanden was in 't jezelf heelemaal aan een ander overgeven ? Maar nu weet ik beter. Misschien is dat voor andere vrouwen wèl zoo — omdat ze niks omhanden hebben — maar voor mij gaat het niet op. Ik heb m'n werk. De Anne Chrisline bouw ik. Ik zie dien bouw vorderen. Daar kan ik uren naar kijken, dan voel ik geen honger, dan voel ik geen moeiheid. Maar jij toch ook, Leendert. 't Is jouw werk toch ook, de Anne Chrisline.

Hij komt naast haar staan en streelt lieur haar. „Je mist veel," zegt hij zacht. Maar ze weert hem behoedzaam af.

„Datzelfde heeft nog eens een man tegen me gezegd. I Is niet waar gebleken. Jullie mannen willen een vrouw altijd onrust injagen, onrust omdat ze zou verkommeren. Nou, laat mij maar betijen, ik verkommer hier niet. Alleenig zou ik wel eens wat bericht van de Kroonprinces willen hooren, al was 't daar aan de IJssel maar geknutsel. Anders ben ik best tevreê." En ze groet hem met haar hand, gaande naar 't kantoor. Ze moet de post nog afdoen op haar manier. Uit haar rokzak haalt ze een stompje timmermanspotlood. Brieven, waar een kras door komt, worden niet eens beantwoord. Haar meening zet ze in tweedrie koeien van letters achterop de vellen papier; zoo vindt de boekhouder ze morgen wel, om ze kort maar helder te beantwoorden. Lange brieven verlaten haar kantoor niet, daar heeft ze 't niet op. Zelf leest ze maar kwalijk

Sluiten