Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ben je bang Cato, voor de bevalling?"

„Daar heb ik nog niet aan gedacht. Nee, dat ben ik niet. Wat al die dametjes verduren kunnen, die flodders uit de heerenhuizen, zou dat te zwaar zijn voor mij? En ik weet wat pijn is; ik vrees geen pijn."

„Gelukkig voor je."

„Maar vraag me niet, dat ik erom juich, Leendert. Ik ben een ouwe boom en 't is raar dat die nog bloeit. De jeugd is er uit."

,We hadden tien jaar eer moeten trouwen."

„Och man.... wat hebben we aan hadden. We staan er voor. Maar ik blijf op de werf en ik zoek een huishoudster tegen dien tijd."

„Maar neen, Cato, tegen eerder. Je kunt zoo in deze positie toch niet blijven rondloopen tusschen 't werkvolk. Ze zullen met je spotten!"

„Wie zijn bek er over open durft doen om te schenden, vliegt op de keien. En zonder waarschuwing en zonder pardon. Dit is een affaire voor mijzelf; daar hebben ze buiten te blijven. En als ze 't niet zien aan me, hoeven ze 't ook niet te weten."

„Maar zullen ze 't binnenkort niet zien en zeker op het laatst?"

„Weet ik niet en kan me niet schelen."

„Cato, meid, je ziet er tenminste niet zoo zwaar tegen aan, dat is maar een geluk."

Ja ja, ze zag er niet zwaar tegenaan. Heel niet, als je haar hoorde. Ze sprak er met Leendert over, met de koelte en zakelijkheid, of het een bestek gold. Maar dat gaat, zoolang het gaat. Als haar man allang sliep, lag zij nog te waken in haar huwelijksbed, lag zij in die trieste toekomst te kijken.... wat ging dat toch worden? Waarom was dat? Waarom?

En machtig beklemde haar de onafwendbaarheid. Ze heeft dit niet gewenscht en toch is daar dat leven in haar. Als ze op haar linkerzij gaat liggen, voelt ze het leven, draait ze zich om, dan voelt ze 't weer op een andere plek.

Sluiten