Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kraamkleer, in een sloep hadden getild en ze lieten liaar maar naar zee drijven, weg drijven daarheen, waar de mensch vergeet dat hij leeft, om zonder dat te weten, willoos over te drijven in den dood, zoo was dat goed geweest. Haar kind is nu toch dood. Ze gevoelt dat. Het hangt bewegingloos en doodgenepen in haar lichaam.... de zuster aan haar bed zwijgt en breit, alles rondom haar is stil en doodsch.... machteloos is ze om nog iets anders te willen dan dit leege witte niets.

Zoo verloopen de uren. „Weeënflauwte," constateert de dokter en zij gelast een spuitje. Van den prik knippert ze met haar oogleden nog niet. Maar 't wordt avond, aleer het moegemartelde lichaam weer tot nieuwe activiteit komt. En ook de nacht, die daarop volgde, heeft haar de verlossing niet gebracht. Wel nieuwe helsche pijnen, pijnen die de zoldering omlaag deden komen tot ze den verstikkingsdruk van het gebinte voelde op haar keel. Maar dan telkens ging dat vuur weer uit, om nog maar wat verder te smeulen, met geringe opflikkeringen. Eerst na zes en veertig uren martelen, bracht ze — en toen nog wel onverwachts — haar kind, onder een machtigen grooten schreeuw, die galmde tegen de wanden aan.

Haar eerste kreet in dit martelhuis, maar haar keel was er rauw van. En toen ging ze waarlijk sterven. Door haar tranen heen, bemerkte ze het, ze ging sterven. Alle kracht was uit haar weggevloeid, er was geen mogelijkheid meer over om nog maar te ademen. „Ben ik al dood?" dacht ze hardop.

„Neen moeder, maar U hebt een welgeschapen dochter. Een dikke meid. Hoort U haar krijten?"

„Ik hoor niets. O groote God.... is mijn kind dood?! Ja help dan toch gauw zuster.... mijn kind is dood! Doe toch wat zuster! Doe toch wat!"

„Kalm zijn, moedertje, ik heb de dokter al gewaarschuwd. Uw kindje leeft hoor en goed ook. Wees maar niet bang, dat hooren komt straks wel weer terug."

„Dank je, zuster...." zei ze schor en ze sloot haar oogen.

13

Sluiten