Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ineens weer een kind met de ellebogen stompend, haar tot bloedens gereepte moederlijf verlaten, ook zelve wringende in doodsnood? Of is het opnieuw maar een kleine pijn, die komt en keert? Ze weet het niet, telkens weer weet ze niets, als die pijnen weer heen zijn. Dit is wakende vergetelheid, milder dan slaap.

Maar waarover praat nu die vrouw die daar loopt door de kamer? Waartoe praat ze en stoort ze deze oogenblikken van wakend dood-zijn? Ze sluit haar oogen; misschien hoort ze dan ook die stem niet meer, die stem zoo ver en

zoo doelloos. Zoo verglijdt ze in diepere vergetelheid.

&

Heeft ze lang geslapen? Er staat een ernstige vrouw in 't wit aan haar bed, die de lakens recht spreidt en haar toeknikt. „Hebt U nog pijn ?" vraagt ze met ingetogen stem.

„Pijn?" Ze moet zich er op bezinnen. Pijn? Toen eens de kajuitdeur van de Soli Deo Gloria fel tegen haar enkel was gevallen, heeft ze pijn, brandende pijn gehad. Wat heeft dat lang geduurd. Neen, ze heeft nu geen pijn.

„Wilt U nu uw kindje even bij U hebben?"

Ze wil rusten en sluit haar oogen. De zuster zal wel denken, dat ze weer slaapt. Ja, ze wil rust. En bekomt rust. Want ze hoeft maar alle spier te ontspannen en weer komt die ondoordringbare vergetelheid terug, geen slapen, geen waken. Zoo glijdt ze door de uren, tot ze ontwaakt uit dit ledige waken. En daar bonkt het besef haar moe hoofd binnen: — „ik heb een kind."

Ik heb nu een kind. Ik heb een meisje ter wereld gebracht. Wat is dat vreemd, hoe kan dat. Het kon toch niet, het was toch te breed voor haar enge oude-vrouwen-schoot. Toch heeft ze een kind gebaard.

Ze probeert, of ze zich iets verleggen kan, maar haar polsen zijn onmachtig haar lichaam op te heffen in het bed. Misschien ben ik wel geopereerd, denkt ze. Maar ze wil dat niet vragen. Er is maar één ding, wat ze weten wil: „Zuster moet ik hier nog lang liggen?"

Sluiten