Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nee. Gewoon; een normalen kraamtijd, een dag of tien."

Ze is dus niet geopereerd, een normale kraamtijd. Maar hoe kan ze hier ooit weg; ze kan nog niet eens een knie heffen. Wéér buigt die zuster zich over haar heen: „Mevrouw, wilt U nü uw kindie even bii U hebben?"

„Nee."

„Hebt U dan nog pijn?"

„Nee."

„Wilt U rusten?"

„Ja, rusten."

Vreeselijk, wat praat zoo'n zuster veel. Is dat nu wel noodig? Is dat nu wel goed? Mag ze nu niet éven nog alleen zijn? Daar komen als statig gaande gestalten in een stoet, traag de herinneringen haar denken binnen. En nu vooral wil ze alleen zijn, lang alleen, om ze te groeten en te herkennen. Daar is Bart Zwartewaal; hij speelt klagelijk

harmonica en zegt dan wat. Je bent nog geen vrouw, Gato

zegt hij zingend: en ook zal jij sterven, zonder het leven waargenomen te hebben. — En daar is Marius. Dag Cato — zegt Marius — het wordt vandaag een drukke dag. —

Goed, Marius. Laat maar komen. Ze houdt van drukte, daar veert ze van op, daar leeft ze in, daar wordt ze fel van. Ze moet beweging hebben; daar draait haar molen van, daar bestaat ze van!

Maar ja, Marius is nu alleen op Stolwijkersluis. Ze ligt hier en wacht geduldig; hij zit er alleen. Hij kan 't daar wel af, zoo alleen op de Kroonprinces?

Och ja, want hij is al tijden alleen. Daar ziet ze de Anne Christine van haar wal varen en de Patrick Mervill ligt daar in aanbouw op haar helling; boven dat schip in wording staat de kraan met haar houten boegbeeld en er worden platen, spanten, knieën gierend neergelaten naar het nog open scheepsvlak; alles op haar commando.

Zij heeft dat gewild, dit bereikt. Zij heeft deze muziek van staal op staal veroorzaakt. Hoe gaat dat nu op Het Boegbeeld, nu ze er niet is? Wie luidt des morgens en 's middags en 's avonds de bel? Wie rijdt het werkvolk na,

Sluiten