Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in 't hijzonder de sjouwers op een dagloon? En wie weet, nu zij daar niet tegen waakt — maar hier ligt met verbrijzelde knieën en ellebogen — hoe er geleefd wordt met het kostbare materiaal?

Ja, het materiaal! Wat is het kostbaar! 't Is ook mobilisatietijd. Ja, en er zijn lichters noodig voor de convooivaart. Hoe snel moeten die lichters zeewaardig zijn opgeleverd? Ach, waren haar leden nu maar niet verbrijzeld, kon ze haar ééne knie alvast maar heffen. Maar als ze het poogt, dreunt weer die klokkengalm in haar ooren, nijpt weer pijn door heel haar lijf. Zoo iemand haar thans ernstig zeggen zou: Cato, je ligt in stukken gebroken in een bed — dat ze ze geloove. En dat ze binnen tien dagen weer zou kunnen loopen, gelooft ze niet. Dat was maar troost, goed bedoeld doch onecht. Het kan niet echt waar zijn, dat zij weer sterk wordt, sterk om over haar werf te draven, alles te zien, commando's te geven. En 't is zoo broodnoodig, dat ze commando's geeft.

„Wilt U uw kindje nu bij U hebben?" vraagt wéér de verpleegster, want zij ligt met open oogen te worstelen met aanrukkende gedachten.

„Ja, goed," zegt ze afwezig. Want ze kan toch niet altijd neen zeggen; het wordt zoo dringend gevraagd. Maar wil ze het? Wil zij haar eigen kind nu wel zien en in haar armen hebben? Is ze er nieuwsgierig naar, is ze er fel verlangend naar? Wil ze het koesteren?

Ach neen, ze wil alleen maar haar gedachte-spoel verder afweven. Maar die zuster vraagt het haar zoo dringend en zoo vaak. En is dat nu mijn kind? Hoe klein. Ach, wat broos en klein. Kleiner nog dan de werkteekening voor een sloep op de Patrick Mervill. 't Weegt zes pond, drie en half ons. Ze vindt het goed; onthoudt dat cijfer met gewisheid.

Hoe klein zal zoo'n kind zijn, zonder die kleertjes, nog kleiner dan nu reeds. Waarom zoo'n klein voorwerp dan zóó te martelen geeft. Het ligt in haar arm, als een balletje in elkaar en reikt maar nauwelijks tot haar borst. Het

Sluiten