Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar is haar eigen zustertje, wat een onmondig ding nog. Die heeft het beter willen weten dan haar meerdere, de dokter zelf. Maar om daar triumpliant op terug te komen, daartoe zou ze op haar werf moeten zijn, alwaar zij gewoon is dat haar woord regeert. Het kan haar hier niet schelen. Maar heeft dat zustertje een kwaaie verschijning gehad? In haar oogen ligt nog de schrik verstorven, haar gebaar is schichtig. Wat willen deze menschen?

Ze vraagt niets en zij zeggen niets. Ze brengen haar voedsel en enkel bloemen; verder is er rust. Rust, die haar een zalving is; waarbij zij tot de gedachte niet komt, dat het eigenlijk anders kon zijn. Want nog niemand heeft met een kaartje ervan blijk gegeven, dat de moeder is gelukgewenscht met de voorspoedige geboorte van haar Anne Christine.

Daar is wéér de dokter en achter haar komt die zuster met de snor, die zuster draagt het dochtertje. Anne Christine wordt in haar armen gelegd. Neen, niemand praat meer over voeding, ze hoeft zich heel niet schrap te zetten tot verweer. Als een cipier zoo stram gaat die snorrenzuster tegen den muur staan, ze speelt frutselig met een sleutelbos. En dat past heel niet, zoo'n onnoozel gebaar, bij een vrouw van dit kloeke type. Maar de dokter komt naast haar bed zitten en zoekt haar hand te vatten. Bijna onmerkbaar bergt Cato haar hand onder de beddesprei; ze vraagt van die vrouw alleen maar snelle genezing. Van lievigheid is ze heelemaal niet gediend.

„Daar ben ik weer," zegt ze. „Het gaat toch goed met U?"

„Goed."

„Toch wou ik nog maar eens komen."

Hemel nog aan toe, wat een onnoozelheid. Hebben die menschen hier met z'n tweeën nog al niets anders omhanden? Ze weet geen antwoord op dat bericht. Wat willen ze? Gaat het weer over dat zog?

„Voelt U zich niet wat alleen, mevrouw?"

„Nee; ik ben graag alleen."

Sluiten