Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Maar zoo zonder bezoek."

„Wat moeten ze me komen zeggen? Die dingen weet je al vooruit. En ik heb me er al mee verzoend; 't valt toch niet te veranderen."

„Maar had U uw man al niet hier verwacht?"

Ze denkt na. Er is hier geen klok, geen kalender, geen andere tijdsaanduiding. Hoelang ligt ze hier al? Hoe vele van de tien dagen zijn al verleden? „Het is bar druk op de werf," zegt ze. Dat is het eenige, wat ze hier zeker weet. „Mag hij ook in den avond komen?" vraagt ze daarop.

„Dat is het 'm mevrouw. Het mag. Maar hij kan vanavond niet komen. Dat kom ik U even zeggen."

„Hij kan vanavond niet komen? Zie je wel! Moet er al worden overgewerkt?! Nog zoo kort ben ik van de werf...."

„Denkt U nu even niet aan de werf, mevrouw. Laten we samen even spreken over uw man. Geef U mij eens uw hand."

Ze veert overeind. Maar een hand geeft ze niet. „Wat is er gebeurt met Leendert?!"

„Wilt U nu even heel rustig zijn?"

„Ik bèn rustig. Zeg maar op. Ik ben geen kind meer."

„Uw man zal vooreerst niet kunnen komen. Maar schrikt U nu niet."

„Nee, ik zal niet schrikken. Maar ik wil weten! En zeg me maar ineens waar 't op staat." Want ze ziet toch, dat dat snorrenmensch met haar oogen staat te draaien. Flauwe menschen.... wat kennen ze haar toch weinig om zóó te talmen.

„Ik zeg dit soort dingen misschien veel te onvoorzichtig, vooral in uw omstandigheid.... het is ook zoo moeilijk....

„Zoo."

„Maar uw man kan werkelijk niet komen."

„Is Leendert er met geld tusschenuit of is hij dood?"

Die lange vrouw schrikt en wendt haar blik beschaamd af van deze oude moeder van één dag, die daar ligt met haar kindje in den arm. Met het geld er tusschen uit....

Sluiten