Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft ze geopperd. „Uw arme man.... mevrouw.... uw arme man is een ongeluk overkomen; dat is het.'Daarom is hij niet hier."

„Is hij dood?"

„Ja mevrouw.... nu is het gezegd. Hij heeft niet lang meer geleefd na het ongeluk."

Nu zwijgen zij. Cato staart in de vochtige oogen van die dokter — waarom worden vrouwen dokter, brandt door haar hersenen — haar oogen blijven droog. Ze is haar Anne Christine vergeten; het wezentje glijdt van 't kussen af, bijkans onder haar. Maar dat ziet die cipier en ze heft het kind uit het bed.

„Wat is er dan gebeurd?" vraagt ze toonloos.

„Ze zeggen, hij is van een kraanstelling gevallen, waar en hoe weet ik zelf niet."

„Ik heb maar één kraan. Ik weet het dan al. Van de kraan gevallen.... zoo. Ja, dan ben je dood, dan val je op het staal van de Patrick Mervill. Laat me even denken!"

De vrouwen zwijgen. Ze meent, dat ze een horloge driftig hoort tikken, ter hoogte van het borstzakje bij die dokter. Ze denkt fel en maar één uitweg ziet ze in deze ontreddering.

„Hoelang lig ik hier al?"

„Twee dagen, mevrouw."

„O, nog maar twee dagen. Dat is kort. Maar ik ben al sterk, ik ga naar de werf!"

„U wilt weg? Maar dat kan niet, onmogelijk mevrouw."

„Het moet; m'n bedrijf vordert, dat ik er nu zeker ben. Haal m'n eigen kleeren!"

„Dat kan niet, dat kan niet. U kunt nog niet eens loopen. Wat wilt U daar gaan doen?"

„Het werk moét voortgang vinden."

„U bent toch onmachtig zelfs op te staan."

„Dan laat ik me met bed en al op de werf dragen! Ik ga weg!"

„Altijd over die werf. Hoe is het mogelijk. Uw schoonmoeder is hier met nog een dame. Ik zal haar roepen, dan kunnen zij met U praten. Want het kan niet...."

14

Sluiten