Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik hoef geen menschen meer te zien. Ik weet al alles. Hij is van de kraan gevallen, hij is er niet afgesprongen, waarom zou hij, nee hij is er afgevallen.... dat gebeurt zoo lichtelijk en daar lag hij toen. Eerst bijna dood, nu dood. Maar de werf ligt onbeheerd. Ik weet al alles; geen menschen nu om me heen."

„Kom mevrouwtje, wees toch niet zoo bitter, niet zoo koud. Huil eens, 't zal U goed doen, huil eens uit."

„Grienen ligt in mijn aard niet. Evenmin als kinderen krijgen. Doe dat kind weg! Gaat zelf ook weg! En breng me m'n kleer, ik ga naar de werf!"

„Kalm zijn, kalm mevrouw...." de vrouw naast het bed streelt haar voorhoofd. Ze weert dat af. Nu geen lieve liedjes meer. De werkelijkheid staat daar bar en ontstellend voor haar: Leendert is dood en de werf onbeheerd.... en.... en.... wie zal nu teekenen? Ook de teekenkamer onbeheerd.

Ineens springt ze uit het bed. Dat ging zóó onverhoeds, dat dokter noch zuster het verhoeden konden. Naalden priemen door haar voetzolen, ze wankelt, ze gaat vallen.... neen, ze valt niet, want haar krampachtig zoekende hand heeft een bedstijl gevonden. En als ze nu die twee toesnellende vrouwen maar afweren kan, met haar eene vrije hand, dan is ze hier uit die hel van moordend afwachten verlost. „Laat een auto komen!" davert ze, alsof ze een bevel schreeuwt naar een klinker in den arbeid. Maar ze nemen haar op en behoedzaam wordt ze weer ter bedde gelegd. Haar weerstand is toch zoo gering, haar bloed klopt nog wee en flauw door de polsen. Ze is ontkracht, dat merkt ze nu toch. En vóór die vrouwen nog wat zeggen kunnen, gelast zes „Ik wil ze hier niet zien, ik wil niemand zien! Stuur een ieder weg, die voor me komt! Laat me alleen!" En ze gaat weer liggen staren naar een onbepaald punt, terwijl er kokend water borrelt door haar afgetobt hoofd. Dat hoofd brandt, ze staat algeheel in brand; brand zonder vlammen, maar even verterend.

Ja, haar huis wankelt. Leendert, haar teekenaar is heen.

Sluiten