Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bloeien; daar lag zij in haar witte vertrek en -wachtte. Zij haatte deze blanke cel niet meer, daartoe was haar verlangen naar de bevrijdende kracht te zeer samengebald. Ze telde alleen maar. Ze telde haar dagen en brak de dagen in parten, die parten in uren, die uren weer in andere fractie's. Ze telde alles tot de tellen toe. Iedere tel was weder een kleine verschuiving naar het moment der verlossing. Maar niet tien dagen bleef ze in Rotterdam, reeds na negen dagen trok ze bevend en uitgeput — hoewel ze die slapte verdrong — haar rok en blouse weer aan. Ze liet een auto komen en reed alleen naar huis. Naast haar, op de zeildoeken bank van die taxi, waar beursmannen plegen te zitten en nachtboemelaars, lag in een genoepten wollen doek het bewegende bundeltje: Anne Christine.

Ze reden, ze reden van die witte kamer weg, van dat huis waar mokers en koubeitels haar lijf hadden gebeukt.... maar nog altijd niet gesloopt, bij lange niet.... waar de benauwenis naar haar strot was gestegen tot stikkens toe en waar ze fluisterend gezegd heeft, dat haar eigen kind Anne Christine heeten zou.

Ze kwam op den Ruigenhil in een geheel leeg huis. De huishoudster heeft haar een dag later verwacht en haar mans familie was beleedigd over het aangedane affront. Maar direct organiseerde zij hulp. Ze liet haar meid roepen, die naar huis was gegaan, telefoneerde om een boodschapper die ze uitzond naar die huishoudster, liet haar werkmeester komen en nam ook den machtigen stapel onafgedane post door.

Doodelijk vermoeid was ze. En al zat ze, toch hijgde ze, toen de laatste brief voorzien was van haar forsche krabbels met het timmermanspotlood. Nu werd het de tijd dat ze haar Notaris kon verwachten, met het verslag van al zijn bemoeiingen. Ze vatte ineens, dat ze al dat werkvolk door moest betalen. Ja, dat is waar! Dat ze daar niet eerder aan gedacht heeft. Maar wat baatte dat allemaal; de machtige dingen die haar in de laatste tien dagen over

Sluiten