Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zitten om zich te ergeren aan de vuile gordijnen en uit te zien over de Schelde. En altijd is ze daar te vinden, als uit Esbjerg de Parlceston binnen loopt. Dat mooie hooge bootje uit Denemarken heeft ze verleden jaar nog geflikt op de Krimpensche Werf. En al wordt het na middernacht, aleer dat lijnscheepje binnen loopt.... ze weet te wachten. En Henkie, hij weet wel niet wat haar zoo boeit in de schepen, houdt haar trouw gezelschap, vertellend al zijn avonturen van den dag met het kind. Ach, dat kind. Hij praat er over, met vervoering. Soms halvelings in 'tFransch, vooral als hij 't heel mooi wil zeggen. En daar heeft het gedrochtje vaak behoefte aan, want het lijkt wel of die Hollandsche vrouw — ze is zoo stil — maar niet begrijpt, dat hij er zoo verzot op is, haar dochtertje te mogen leiden overdag. Ze begrijpt het ook waarlijk niet. Henkie is goed. Henkie zorgt gelijk een moederkat voor het jong, zóó fel voor haar Anne Christine. Ze denkt zelfs wel eens, dat hij langer in 't kosthuis blijft dan z'n gewone doen is, alleen maar om met dat hummeltje samen te mogen zijn. Dat is aardig om te zien; op Zondagen kan ze 't immers zelf waarnemen. Maar waarom? Wat bezielt dat goed oud ventje met z'n bult?

„Als ik Anne Christine mee kon nemen naar Temsche met m'n handel, dan deed ik het. Maar 't gaat niet, het is zoo ver."

„Waarom Henkie?"

„Ik hou van de jonkheid. Maar hoe heet jij, vrouw?"

„Ik heet Cato."

„Ik hou zoo van kleine kinderen, Cato."

„En Anne Christine gaat graag met je mee overdag."

„O! Niemand krijgt haar ooit uit mijn handen!"

„Waarom hou jij zoo van dit kind, Henkie?"

„Ze zit daar anders zoo alleen. Jij zit op de markt, zij hier hoven 't café. Wat heb jij een mooi bruin kindje, Cato."

Ze glimlacht. Ja, Anne Christine heeft mooie oogen en 't is een dartel ding. Dat ziet ze toch ook wel. En 't is een

Sluiten