Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Henkie goed gedaan en hij juicht dat avontuur-van-niks Cato toe, alsof hem iets machtigs was overkomen. Maar het is dan toch ook machtig, want z'n kind is flink voor haar jaren en ze groeit, ze gedijdt.

„Dank je Henkie," zegt ze vaak, „dank je voor alles. Je weet het niet, wat je allemaal voor me doet. Het leven is zwaar voor een weduwe met een kind; jij verlicht het me méér dan je weet."

„Cato.... ben jij een weduwvrouw? Ik dacht...."

Ze bloost niet eens. Waarom zou ze blozen voor dat verschoppelingetje. „Jij dacht, dat ik ergens tegen de lamp geloopen was?"

„Ja, en dat je daarom geen familie meer hebt en werken moet. Want ik schat je van hooge afkomst, Cato."

„Zoo Henkie.... en waarom?"

,,'s Morgens als je goed geslapen hebt, dan zie ik je rechtop naar de Markt gaan, dan kijk ik je na, dan denk ik: die is van hooge afkomst. Die loopt niet, zooals logementsvolk loopt. Heb ik het mis?"

„Och Henkie, wat geeft het. Ik ben arm, waar? En jij bent arm. Ik vraag niet waarom en neem de dingen maar aan. Je kunt niet huizen met den dag die voorbij is?"

„Neen, Cato," zegt hij plechtig: „en ook niet met de vrouw die dood is. En met de kinderen die dood zijn niet. Dat is alleen nog maar teznps passé."

Ze verstaat dat woord niet, maar begrijpt het wel. Altijd, wanneer hij iets nadrukkelijks meent, kraamt hij vreemde woorden uit. Dat zoo'n onnoozel oud ventje die vreemde taal kent en zij daar niets van kan verstaan. Er passeert een zeeboot, een olietankschip. Ze kijkt dat schip na en praat er over, tegen hem of zichzelve.... maar ze praat over het schip.

„Je kent de schepen allemaal goed," zegt Henkie, „je hebt zeker aan de haven gewoond."

„Ja, de schepen ken ik."

„Heb je soms gevaren?"

„Nooit, Henkie."

Sluiten