Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wil je 't mij allemaal niet vertellen, dat je nooit wat zegt," vraagt hij met wat verwijt. „Of vertrouw je Henkie Blauwers niet?"

„Henkie Blauwers vertrouw ik. Wees daar maar niet ongerust over."

„Cato, ik vertrouw ook jou. Jij werkt voor Anne Christine hard. Je werkt veel te hard. Overdag werken is dat niet genoeg?"

„Nee Henkie, ik moet ook 's avonds werken."

„Je slooft je af en dat is zonde van je, vrouw. Want je bent nog zoo jong; une jeune belle femme."

„Ben ik jong? Ik ben een oude vrouw, Henkie. En moet ik niet zorgen, dat ik wat heb overgespaard voor later, voor Anne Christine?"

„Ja," zegt het buitenaartje welgemeend: „dat moet je zeker. Maar laten we dat samen doen."

„Samen?"

„Ja Cato, laten we gaan trouwen. Jij bent alleen.... een weduwvrouw, en ik ben ook alleen. En we hebben notre petite chère Anne Christine."

Ze kijkt hem ernstig aan. Hoe kan dat? Hoe kan zoo'n oud vogeltje dat willen? Wil hij echt, wil hij werkelijk nu nog gaan trouwen? Ze is niet kwaad op Henkie om dat woord, ze is alleen maar verbaasd en beteuterd. En ze vergeet, dat ze nu ook antwoorden moet. Dan vangt weer dat buitenaartje aan te praten:

„Denk je, Henkie is voor mij te oud, Cato? Zeg het dan maar, hoor."

„Neen Henkie het gaat niet. Ik dank je vriendelijk, je hebt het goed met me voor en heel goed met Anne Christine, maar het gaat niet."

„We hebben alletwee weinig, maar samen hebben we meer."

„Het gaat niet. Ben je nou boos op me, Henkie?"

„Nee Cato. Maar 'k had graag met je gaan trouwen. Ik vind je zoo mooi, Cato. Je bent precies je dochtertje, je bent Anne Christine, zoo ze worden zal. Aussi helle. Ik hou

Sluiten