Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gelukkig, het bed is breed genoeg voor twee, ze kan zich hier roeren alleen; heerlijk deze rust. Waarom zou ze nu toch weer ontwaken?

Maar lioè heette die schipper toch, die 't houten princesje naar haar werf toebracht. Wat is dat lang geleden en wat vergeet een menscli snel. Ze hoort iets aan de deur, wie treedt ongevraagd haar slaapkamer binnen? Ze zou het nu weten, als ze haar oogen maar opende. Wat zijn haar oogleden zwaar; zeker heeft ze nog maar kort geslapen. Ineens ziet ze wéér wit licht, ze knippert tegen dat licht, wat is haar kamer helder, behalve daar die donkere vlak, die gestalte, een man, een schipper.... maar hoe komt een schipper in haar slaapkamer daar hooren toch de klanten niet te komen.... schande!....

Ze zoekt die gestalte af en staart in twee oogen. „Groote God! Bart! Bart! Bart Zwartewaal heet de schipper! Menechen help! Ik word gek! Help!"

Hij staat daar verlegen aan de deur, onnoozel te frutselen aan zijn schipperspet; heelemaal niet de man, die een vrouw komt aanranden in haar slaapvertrek. Ze staart in zijn oogen, die kalm en vriendelijk de hare doorstaan en zoo dwingt hij haar kalmte af.

„Dag Cato," zegt hij met ontroerde doffe stem, „gelukkig, dat het wat beter met je gaat."

„Maar man wat is er dan. Wat willen ze van me, wat wil jij? Wat doe je hier?"

Hij schuift behoedzaam naar een stoel. „Cato," zegt hij zacht: „je moet nu nog heel rustig blijven, want je bent zwaar ziek geweest."

„Ben ik ziek geweest, Bart?"

„Ja Cato en maanden lang."

„Wat? Maanden! Waar is Anne Christine! Waar is mijn kind! En wie beheert de werf? Leendert?"

„Kalm Cato, je kind is thuis. Thuis bij Marius."

„Bij Marius? Op de werf thuis, bij vader?"

„Vader is dood, Cato. Vader was toch al dood toen je wegging."

Sluiten