Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„O ja, Bart vader was dood. En Henkie is ook dood. En 't beeld ligt onder m'n bed, weet je nog Bart, jouw beeld."

„Was Henkie je man, Cato?"

„Neen, Henkie had een bochel. Henkie is dood. Heb je je beeld al terug gezien. Bart, 't ligt hier onder m'n bed."

„Het boegbeeld, Cato, dat staat weer op het voetstuk, dat jij ooit hebt laten maken. Op 't zelfde voetstuk. Wij gaan er eens gauw naar kijken, hoe je dat daar staan vindt op het beton. Goed Cato?"

„Als Marius 't merkt, dan...."

„Marius weet er tocli van. Hij speelt toch zoo lief met je dochtertje, Cato."

„Maar wat is er gebeurd?"

„Niets, ouwe meid. Je bent alleen maar zwaar ziek geweest."

„Zwaar ziek. En hoe weet jij daar overal van ?"

„Daar hebben ze bij je thuis bericht over gehad."

„O, maar nou ben ik moe."

Trouw heeft de schipper gewacht, uren gewacht, tot ze naar hem vroeg. Toen kwam hij, om haar verder wegwijs te helpen uit den witten chaos van haar ontwaken.

„En Marius speelt met Anne Cliristine, waar Bart? Ik vat dat niet."

„Ja Cato, mag ik 't je nu allemaal eens kort en duidelijk vertellen? Je bent ziek geworden in Antwerpen, vier maanden geleden. Je hadt longontsteking en toen is «laar nog wat anders bij gekomen. Wat, weet ik niet en 'k geloof ook niet, dat de dokters het precies weten. Doe me een pleizier, Cato en vraag er maar niet naar, want nu wordt je weer heelemaal beter."

„Ben ik gek, Bart?"

„Nee, Cato.... anders kon je me dat toch niet vragen."

„O ja, dat is waar, daar dacht ik niet aan. Vertel alle» eens verder."

„En toen kreeg Marius bericht dat jij ziek lag in Antwerpen, zooiets doen ze van den consul uit, weet je. Zoo,

Sluiten