Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

helling.... liet houten princesje met de dunne vragende lippen.

„Ben je blij, Cato?"

„Ik ben heel blij, Marius."

„Dat je weer thuis bent, waar Cato?"

„Daarom. En voornamelijk, omdat ik nu dingen weet, die ik vroeger niet heb geweten. Weet jij, Marius, weet jij waarom dat houten beeld daar zoo vragend kijkt?"

„Doe nu maar geen rare vragen, Cato. Ik weet zulke dingen niet. Wat lieb jij toch een lief, lief dochtertje, Cato."

„Je weet het toch beter dan je zelf wel denkt, Marius. Ja, Anne Christine is mijn lieve kind, voor jou zal 't ook aangenaam zijn, Marius, hier een kind op de werf."

„Ja, vast. Maar kom nu hier eens kijken, Cato. Voorzichtig struikel niet, daar is een afstapje."

„Zot! Dat weet ik toch. Dacht je dat ik dat niet wist? Met uitgebrande oogen zou ik dat afstapje nog weten." En ze loopen eendrachtig naar de teekenkamer en vandaar naar 't boersche kantoortje. „Zie," zegt Marius, „dit heb ik voor je bewaard.... je stok."

„Wist je zoo zeker dat ik terug komen zou?"

„Zeker."

„Zoo. En wist je ook zeker dat ik m'n stok weer beetpakken zou als ik eenmaal terug was."

„Zeker als goud."

„Dan is goud niet zeker meer, Marius. Want deze stok vat ik niet meer op, jongen."

„Kom je me dan niet meer helpen, Cato?"

„Met raad en zoo, als 't moét. Maar niet meer op de werf, Marius."

„Zoo, Cato, wat hoor ik...."

„Schrik je?"

„Nee, ik schrik niet, maar...."

„Maar je vindt, dat ik veranderd ben, waar Marius?"

„Ja, erg. Heel erg."

„Dat versta ik. Nu; m'n stok vat ik niet meer op. Scheep-

Sluiten