Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

[Uit het uitgebreide onderzoek, dat een Amerikaanse geleerde, Mej. Margabet Schlauch, over het motief van de onschuldig veroordeelde koninginnen en de daaraan verbonden andere motieven heeft ingesteld, blijkt dat de diohter van Esmoreit, zoals hierboven verondersteld werd, zjjn stof uit verschillende verhalen moet gehaald hebben en vermoedelijk uit Franse romans.

Die stof, bewijst de schrijfster, is evenwel niet eigen aan de Middeleeuwse romans. Men treft ze eveneens aan in tal van volksvertelsels uit verschillende landen en die vertelsels vertonen een ouder stadium. Daarin treedt als beschuldiger vooral de jaloerse schoonmoeder op, de moeder van den koning, of ook nog de vader, een stiefbroeder, een mededingster, een heks of een draak.

De beschuldiging van moord verklaart de schrijfster uit primitieve sociale (matriarohale) toestanden, waarin kindermoord mogelijk was. In de Middeleeuwse romantische verhalen heeft de behandeling zich aangepast aan de ingetreden veranderingen in het maatschappelijke leven. Nog komen in een eerste groep de oude beschuldigers voor, doch daarnaast vindt men een tweede groep met een mede-beschuldiger en een derde, waarin de hoveling-verrader de plaats van de schoonmoeder inneemt. Tot de eerste groep behoort Chaucer’s Constance, tot de tweede Valentijn en Nameloos, tot de derde Esmoreit.

Qolo is dus wel een andere Robrecht en dat is ook Oerard in het Duitse volksboek Hirlanda von Bretagne, een heldin die eveneens door haar zoon zal worden gered.

Esmoreit-toestanden treft men dus in tal van Middeleeuwse romantische verhalen aan, doch een werk, dat als de bron van Esmoreit zou kunnen beschouwd worden, heeft Mej. Schlauch niet gevonden. De overeenkomst met Jan ivut den Vergiere ‘j acht zij niet belangrijk genoeg om Esmoreit te verklaren, en voor het eerst wijst zij er op, dat analoge motieven voorkomen in een ander, XVe eeuwB, verhaal: Le I/ivre de Baudoyn, Conté de Flandre 2). Daarin wordt inderdaad verteld, hoe Jehan-Tristan, de zoon van Lodewijk IX te Damiate aan zijn moeder werd ontstolen door een Saraceense vrouw en overgeleverd aan den

*) Prlebsch, die blijkbaar het boek van Mej. S. niet gekend heeft, betoogt In zijn blz. 11 vermelde uitgave, dat. het Franse gedicht Richard, li Biaus tot voorbeeld zou gediend hebben van het onbekende mnl. gedicht Jan uut den Vergiere en neemt verder aan, dat Esmoreit in zijn hoofdmotieven op dit laatste gedicht zou teruggaan. Mej. S. heeft reeds gewezen op de motieven-verwantschap tusschen Esm. en Richard li Biaus, maar dezelfde verwantschap bestaat ook nog met tal van andere verhalen, zonder dat daarbij van directe bron of ontlening kan gesproken worden.

2) Uitgeg. door C. P. Serrure en A. Voisin (Brussel 1836) naar de druk van 1485. Over de hss., eveneens uit de XVe eeuw, zie art. van Prof. Bayot in Revue des Bibliothèques et Archives de Belgigue, 1903, blzz. 361—370.

Sluiten