Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I. a tot ae: vs. 88 scarpen > scaerpen; 424 vae > vaee; ib. an > aen; 532 scamde > scaemde; 985 anganghe > aenganghe(?)

II. e tot ee: 265 verlent > verleent; 663 het > heet; 1013 wert > weert

III. i tot ie: 982 tiran > tieran; 771 ewelijc > ewelijec

IV. o tot oe: 185 torkien > toerhien; 192 horen > hoeren; 379 idem; 500 en 642 bogaert > boegaert; 791 mort > moert; 795 dorijn > doerijn (= doornen, adj.).

Slechts in één geval is de verbetering spontaan gebeurd, nog vóórdat het woord voluit was geschreven, nl. in hoeren 192, waar zij des te meer opvalt, daar hoeren er rijmt op gheboren met enkel teken o. Overal elders is de e bijgeschreven.

Vers 696 is niet met zekerheid uit te maken of de kopiist eerst oetmodich wou schrijven en de o verbeterde tot oo; welke zijn bedoeling ook moge geweest zijn met voeght 959 (zie noot aldaar), het rijm voeght: cocht wijst op een model voght: cocht met o — ö.

Opmerkelijk is vooral de verbetering van a, e, o tot ae, ee, oe in de gesloten lettergrepen scar-pen, vae, an, scam-de; het, verlent, wert; mort; wij kunnen P. Leendertz Jr. *) niet toegeven, dat wij hier met gewone schrijffouten te doen hebben, „doordien de afschrijver blijkbaar nog al haastig te werk ging.” In zijn aantekening bij vers 762) wijst Leendertz zelf er trouwens zeer terecht op, dat er „blijkbaar verschil was tusschen de gewone spelling van den afschrijver en die van zijn voorbeeld” en dat „de plaatsen, waar het enkele letterteeken bleef staan, veel talrijker zijn.” Wij hebben hier inderdaad met een gewilde, maar niet overal konsekwent doorgevoerde spellingverandering te doen. Dit blijkt niet alléén uit de wijze, waarop de afschrijver zijn verbeteringen heeft aangebracht, en uit de bestaande dubbelvormen, maar ook — en niet het minst — uit de omstandigheid, dat dezelfde veranderingen voorkomen in nagenoeg alle abele

*) Middélnederlandsche Dramatische Poëzie, blz. 449.

a) het gaat in vs. 76 over de verklaring van mocht in als ghi mocht horen en de moge lijke leetnnr mócht 1. p. v. mócht.

Sluiten