Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(859—860) bezwaarlijk elders dan op de Brabants-Limburgse grens kunnen ontstaan zijn; en verder, dat een zeker aantal andere rijmparen zoals b.v. weer—vermeert (919—920) evenmin naar het Westen wijzen, terwijl anderszins de uitgesproken Limburgismen te schaars zijn om de oorsprong in Limburg te kunnen localiseren. Ons besluit was: 1°. dat de Vlaamse (beter: de Vlaanderse) oorsprong van de abele spelen in ’t geheel niet vaststaat, en 2°. dat een Oostbrabants-Limburgse oorsprong even goed en o. i. met meer reden mag verondersteld worden.

Onze beschouwingen hebben aanleiding gegeven tot een artikel van Prof. J. W. Muller over De Taal en de herkomst der zoogenaamde „abéle spelen” en „sotternién”1). Prof. Muller vestigt er onze aandacht op, en wij zeggen er hem dank voor, dat hij in een recensie van Leendertz’ werk2) de „Vlaamse” oorsprong van de abele spelen sterk heeft betwijfeld, een Brabantse daarentegen, op grond van enkele klanken, vormen en woorden, waarschijnlijk heeft gemaakt. Muller heeft inderdaad in die recensie een reeks van 19 woorden en vormen aangehaald3), die hij als Brabants meende te mogen beschouwen en daarop een Brabantse afkomst verondersteld van de groote meerderheid van de abele spelen en sotternieën, die in het Hulthemse hs. voorkomen.

In zijn artikel heeft hij 18 van die gevallen, samen met enkele andere en ook de door mij besproken rijmparen, opnieuw gegroepeerd „zonder nader betoog der (min of meer zekere) Brabantsche kleur dan een verwijzing naar bekende handboeken”, om tot het besluit te komen, dat althans de meeste der zogenaamde „abele spelen” en „sotternieën” een Brabantse oorsprong hebben.

Onze Brabants-Limburgse hypothese acht hij te veel „ge-

*) Ts. voor Nederl. Taal- en Letterkunde, XLVI, 292—301, aangevuld 1b. XLVIII, 114—115.

*) Museum, 1910, blzz. 212—3.

8) terecht, doob verschillende aangehaalde vormen kunnen ook Limburgs zijn.

Sluiten