Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oriënteerd”. Zonder in bijzonderheden te treden, moeten wij echter verklaren, dat wij in het artikel van Muller geen aanleiding kunnen vinden om onze stelling prijs te geven, al liggen onze besluiten nog zo kort bij elkander.

Voor ons komt het, bij de localisatie van het voorbeeld van een handschrift (d. i. de modeltekst), niet zozeer aan op het bestaan in heths. van een aantal min of meer dialectisch gekleurde eigenaardigheden in rijm, vorm of woord, dan wel op de waardebepaling van zulke eigenaardigheden voor een mogélijke localisatie van het model. Vandaar dat wij onze taal-argumenten bewust beperkten tot de meest opvallende vormen, die wij, steunende op historische gegevens en persoonlijke kennis van het OostBrabants, met vrij grote zekerheid konden localiseren en daar die vormen tot de abele spelen behoren, beperkte ons besluit zich vanzelf tot die spelen.

Prof. Muller hecht eveneens een bizonder belang aan de dialectisch gekleurde rijmen, doch steunt daarnaast nog op een aantal andere gegevens, waarvan de waarde o. i. onvoldoende vaststaat om over de kwestie te kunnen beslissen. Die gegevens verwerpen wij niet è, priori, maar wij menen, dat zij een schifting en een nader onderzoek vereisen. Wij leggen er overigens de nadruk op, dat wijzelf aan ons eigen betoog niet de kracht van een af doende bewijs hebben toegekend. Onze conclusie kunnen wij echter niet prijsgeven, zolang men het onjuiste of onhoudbare van de gebruikte argumenten niet heeft aangetoond. Hoe gering het verschil in localisatie ook zij, voor de letterkundige geschiedenis heeft het toch een niet gering belang te weten, of wij meer naar het Westen dan naar het Oosten moeten kijken.

Ondertussen verheugen wij ons er over, dat wij niet langer alleen staan in onze bestrijding van een opvatting, die, wij herhalen het, „vrijwel algemeen aangenomen, maar nooit bewezen werd” en staan wij aan onzen collega gaarne de prioriteit van die bestrijding af.

B. V.

Sluiten