Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Oetmoedech god, met naghelen dri, 0<nadigdeoh “ fce'

Ontfermhertich god, nu biddic di,

395 Dat die waerheit noch werde vernomen vernomen - ontdekt.

Ende ic te mijnder ontscout noch moet comen: moet = moge.

Dies biddic u, hemelsche coninghinne.

Ay, salie nu in minen sinne

Bliven, dat sal wonder sijn. lniSn“eSïï£dr bfl

400 Ay god, wie heeft sijn venijn

Al dus swaerlike op mi ghescoten?

Ay god, uut u soe comt ghevloten BW^dtg = b008‘

Alle recht ende alle waerheit: ghevioten = gevloeid.

Nu hulpt mi noch te minen besceit,

405 Dat ic ontsculdic[A] moet vonden sijn. b“^isT beBUBSend

vonden = bevonden.

[18 jaren later.

In Damascus.

Achttien jaren zijn sedert verlopen. Dami'èt heeft Esmoreit lief gekregen. Deze is toevallig getuige van een ontboezeming zijner vermeende zuster, waaruit hem blijkt, dat hij niet haar broeder doch een vondeling is, en tevens, dat ze hem bemint. Ofschoon ook zijn hart luide spreekt, zegt hij Dami'èt vaarwel om allereerst zijn ware afkomst te ontdekken. Zij geeft hem de doek mede, waarin hij zogenaamd „gevonden” is].

De jonghelinc.

O Tervogant ende Apolijn,

Hoe mach mijn suster, dat edel wijf, Ghehebbena= hebben.

reine lijf = kuise le-

Ghenebben alsoe reine lijf, venswandei.

393 Oetmoedech: hs. oetmoechdech 405 ont8ouldic[h]: hs. ontsculdic

Sluiten