Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat si ghenen man en mint

410 Noch in heydenesse ne genen en kint, kint = tent.

Die si wonde hebben tot enen manf Bi minen god Tervogan,

Si heeft emmer een edel natuere. emmer = toch, in eik

7 geval.

Ofte si mint ene creatuere

415 Heimelike, daer io niet af en weet;

Want si en es emmer niet bereet emmer niet bereet =

in geen geval gene-

Tot eneghe man die nu leeft. gen’ genel8rd-

Ic waent haer Jfamet al in gheeft,

Dat si heeft soe edelen aert.

420 Dit es mijnder liever suster bogaert,

Hier plecht haer wandelinghe te syn plecht = pleegt.

Bij mineu god Apolijn,

Ic wilder mi oeo in vermeiden gaen, wilder = wii er.

Want die vaec comt mi aen; ^jerinstigen.

425 Io wil hier slapen ende nemen rast. rast = rost.

De jonge vrouwe Damiet.

Ay mi, Ay mi, hoe groten last Dragio al stille int herte binnen!

Io ben bevaen met sterker minnen, bevaen ■■ bevangen.

Die ic heimelijc in mijn herte draghe.

430 O Apolijn ic u dat olaghe,

Dat myn herte enen man soe mint, 432: 0isohoon zij

Nochtan dat sijs niet en kint weet" van^. I?et8 **"

O" , . . , . . . . sijs — zij des (= van

Sijn gheboerte noch sijn gheslacht; hem).

413 natuere: boven de slot-e in 7is. een onduidelijk inktvlekje, dal op een mogelijke verschrijving natuere wijst.

424 die vaec: na die staat vaec, verb. uit vac, zwart doorgehaald en geixpungecrd. — aen: in hs. verb. uit an

430 na Apolijn in hs. een inktstreepje als een punt.

Sluiten