Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

510 Maniet laete mi noch die scande

Verwinnen, dat ic weten moet, verwinnen: te boven

_. _ komen.

Wie mi des en lachter doet, moet = moge.

7 lachter = schande.

]3at ic te vondelinghe was bracht. bracht = gebracht.

Nu en willic nemmermeer den enen nacht vb. su, 515: nn wil ik

et-i * j , ., . geen dag meer laten

öiö JJen anderen verbeiden, ic en hebbe vernomen, voorbijgaan, zonder

7 te onderzoeken.

Van wat gheslachte dat ik ben comen Ende wie dat mijn [vjader si.

De jonge joncfrouwe Damiet.

O Esmoreit, nu blijft bi mi!

Ic bids u in die ere van allen vrouwen. in = ba.

520 Storve mijn vader, ic soude u trouwen,

Edel wigant, tot enen man,

Esmoreit, soe moghdi dan Sijn van Damast gheweldich here.

De jonghelinc.

O edel vrouwe, die onnere onnere = oneer,

7 schande.

525 En sal u nemmermeer ghescien;

Dien lachter moet verre van u vlien,

Dat ghi sout nemen enen vondelinc. nemen = tot echtge*

TT , _ . noot nemen.

U vader es een hogbe comnc

Ende daer toe sidi soe seoene; daer toe ■* daaren-

7 boven.

Ö30 Ghi mocht met rechten draghen croene vs. 530, 531: on knnt,

ö voor welken man ook,

Voer eiken man die nu leeft. partti

Mijn herte van groten scaemde beeft. soaemde = schaamte.

7 vs. 533: dat het zo

Dat ic al dus hebbe ghevaren. met mü gegaan is.

517 [vjader: hs. wader

518 De jonge: met afwijkende D, ofwel te lezen Die 525 En: hs. Ende (En)

529 na toe staat in ?is. soe zwart doorgehaald en geëxpungeerd.

532 scaemde: in hs. verh. uit soamde

Sluiten