Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Haddic ghesweghen al stillekijn,

Soe haddic in vrouden moghen sijn Bi -Esmoreit al mijn leven,

560 Dien ie met spreken hebbe verdreven.

Met rechte machic roepen: „olas, oias = helaas.

O wi, dat ic niet stom en was,

Doen ic sprac dit droeve woert.”

De jonghelinc.

O edel wijf, nu willic voert.

565 Mamet beware n reine lijf! iöf = persoon.

Nu biddic u, wel edel wijf,

Groet mi den coninc minen here,

Want ic en sal keren nemmermere,

Ic en hebbe vonden mijn gheslacht icen = eer ik, tenzij ik.

570 Bnde oec den ghenen, di mi bracht

Daer ic te vondelinghe was gheleit. Da*r = waar.

De jonge joncfrouwe Damiet.

O scoene jonghelinc Usmoreit,

Nu biddic U doer Oetmoet, doer oetmoet = om

wille der genade.

Als ghi van uwer saken sijt vroet,

575 Dat ghi dan weder keert tot mi.

De jonghelinc.

O scoene joncfrouwe van herten vri, ^pithetofor^Insmet

de bet. van „edel**

Dan salie laten nemmermeer, of „dierbaar”, vgi.

Ic en sal met enen corten keer, danS'= dat en.

met enen eorten keer

Edel wijf, tot U comen, = ten spoedigste.

580 Als ic die waerheit hebbe vernomen,

Bi minen god Tervogant.

561 men kan ook lezen mach io

Sluiten