Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De jonge joncfrouwe Damiet.

O Esmoreit, nemet desen bant;

Hier in soe waerdi ghewonden,

Esmoreit, doen ghi waert vonden;

_ i dies gheloeft = geloof

585 Edel ïonghelinc, dies gheloeft. dit.

. _ , . , ,, Belten — zult hem,

Ghi selten winden omtrent n noeït, moet hem.

omtrent = om.

Ende voerten alsoe openbaer voerten = roert,

draagt hem.

Op avontnere, of iement wa«r dat

Die u kinnen mochte daer an,

590 Ende peinst om mi, wel scoene man,

Want ic blive in groter sorghen.

[Op Sicilië bij de gevangenis.

Esmoreit komt op Gecilïén vlak hij de gevangenis zijner moeder. Zij herkent hem aan de doek. Esmoreit wordt als zoon erkend door den koning, die zijn vrouw terstond uit de gevangenis doet halen en haar om vergeving smeekt].

De jonghelinc.

Mijn god, die niet en es verborghen, die met - wien mets.

Die moet nu mijn troester sijn! troeeter = helper.

O Ma met ende Apolijn,

595 Mahoen ende Tervogan,

Dese scoene wapen die hier staen an, Machtswapens op

. , , . die hoofdband.

Mochten SI toe behoren mi, vrl = vol blijde zeker¬

heid, vrij van twijfel

Soe waer ic int herte wel vn, vgi. vs. 613.

592 Mijn: ws. verb. uü Mln

597 na si slaat ml zwart doorgehaald en geêxpangeerd

Sluiten