Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ic gaeft ti al onghetelt

In een foertsier, was yvorijn. foertsier = tutje.

990 Noch soude ment vinden in uwe scrijn, ment — men het.

j .. ,... scrijn = kast.

Jjaer WllllC onder setten mijn lijf. setten * verpanden.

De jonghelinc.

Ay mi, .Robberecht, fel keitijf!

Met rechten ic u wel haten mach.

Ghi selt nu hebben uwen doemsdach, doemsdach = sterf-

• dag, oordeelsdag.

995 Al die werelt en holpe u niet.

Róbbrecht hanctmen hier.

[Narede.]

De jonghelinc noch.

Al dus eest menechwerf gesciet: 6681 — is het.

Quade werken comen te quaden loene,

Maer reine herten spannen croene,

Die vol doeghden sijn ende vol trouwen.

1000 Daer omme radio, heren ende vrouweD,

Dat ghi u herte in doeghden stelt,

Soe werdi in dinde met gode verselt -wetm = wordt gij.

° dinde = t einde.

Daer boven inden hoghen troene, tro^? = hem^!8d'

Daer die ingelen singhen scoene.

1005 Dies onne ons die hemelsche vader! Diesonne ■= datjonne

= gunne.

Nu segt Amen alle gader.

AnTim

De meester.

God, die neme ons allen in hoeden.

Nu hoert, ghi wise ende ghi vroede:

994 doemsdach: hs. doems dach

995 Al: de 1 staat op een stuk van een andere letter.

1001 na doeghden in hs» een punt.

1002 verselt: hs. verseilt; de l is verb. uit een andere letter.

1003 men kan ook lezen in den

1006 Naast Amen staat in hs• het getal .zc. viij. (1008) met een afkorting voor verzen.

Sluiten