Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kan men ze in 't geheel niet meer meester! — Jaag ze niet enkel de schrik en de angst op 't lijf, tem ze ook door liefde en goede behandeling. Bedenk toch dat een christelijke slavin uw medezuster is. — Maar zij drinkt gaarne! Zorg dat ze geen wijn krijgt. - Zij bedrijft ontucht! Laat ze trouwen. - Ze steelt! Let beter op uw zaken. — Zij heeft een kwade tong en is praatziek! Hoeveel vrijgeboren vrouwen doen hetzelfde niet! - Welnu, tegen hun slavinnen geraken zij in zo'n onbekookte toorn, dat zij hen de doek van het hoofd rukken en ze bij de haren langs de grond sleuren. — Oefen geduld tegenover uw slaven, gij wordt dan ook geduldiger jegens uw man.'' De redenaar is gemoedelijk en eenvoudig en voortdurend één met zijn hoorders. Hij spreekt tot hun gemoedsleven, past zich aan hun stemming aan, doet beroep op het edelste streven van hun menselijk willen en beminnen. Zij voelen dat niets hem dierbaar is boven hen, zelfs het licht zijner ogen niet; dat hij wel duizendmaal blind zou willen worden, als hij daardoor hun zielen kon bekeren. Zoveel gaat hem zelfs boven dit licht hun zaligheid ter harte: „Immers welke hoop kunnen wij koesteren, als gij niet vooruit gaat, welke droefheid gevoelen, als gij niet godvruchtig zijt. Ik word als op vleugelen gedragen, als ik over u iets goeds hoor. Maakt mijn vreugde volkomen. Ik heb maar een wensch: ik verlang naar uw vooruitgang. En ik wedijver met u allen hierin, dat ik u liefheb, dat ik u in mijn hart draag, dat gij mij alles zijt: vader en moeder, en broeders en kinderen."

Sluiten