Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van toespraak; zo groot is het vermetel misdrevene, zo ongeneeslijk de wond, zo diep de kwetsuur, die elke geneeswijze tart en de hulp van boven behoeft. Zó was Job, na alles verloren te hebben, op de mesthoop gezeten, en zijn vrienden, die het vernamen, kwamen tot hem, en toen zij hem van verre zagen, scheurden zij hunne klederen en bestrooiden zich met as en weeklaagden luide. Dit moesten thans alle steden in het rond doen, en tot onze stad komen, en het gebeurde beschreien met alle mededogen. Hij was toen op de mesthoop gezeten; zij zit thans in een dodelijke valstrik. Want gelijk de duivel toen de kudden en runderdriften en heel de bezitting van den rechtvaardige besprong, zó heeft hij thans zijne razernij tegen de gehele stad gekeerd. Maar God heeft dit èn toen èn nu toegelaten: toen, om den rechtvaardige des te luisterrijker te maken dan de grootheid zijner beproevingen; nu, om ons tot meer bezadigdheid te brengen door de overmaat van deze nood. Vergunt mij te wenen over de toestand van dit ogenblik. Zeven dagen hebben wij gezwegen, evenals de vrienden van Job; veroorlooft mij heden de mond te openen en te weeklagen over dit ons aller gemeenschappelijk onheil. Wie heeft u benijd, geliefden? Wie is u wangunstig geweest - vanwaar een zo ontzettende omkeer? Niets was eerbiedwaardiger dan onze stad, niets is deerniswaardiger thans. Een volk zo ordelijk en rustig, en als een handelbaar en gedwee ros altoos gehoorzamend aan de handen zijner geleiders, is ons thans plotseling zo wild uit de

Sluiten