Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrienden Antiochië ter hulp. De monniken, vroegere vrienden van Chrysostomus, verlaten hun eenzaamheid, om hier de troost hunner tegenwoordigheid en de steun hunner heiligheid te brengen. Zij zijn het, zegt Chrysostomus, ,,die met gezag voor het college van de keizerlijke ambtenaren verschijnen, om de verdediging der schuldigen op zich te nemen. Zij verklaren hun, als losgeld voor de gevangenen, en tot bevrijding van het onheil dat boven het volk hangt, hun eigen leven te zullen prijsgeven. Onwrikbaar is hun besluit; ze zijn vast besloten Antiochië niet te verlaten, vooraleer zijn kinderen gered zijn."

Tijdens deze drukkende angstweken leerde het volk de monniken kennen als zijn ware vrienden. Chrysostomus looft ze als dusdanig van op de ambo, en ontmaskert tegelijk het schijnheilig egoisme van de vertegenwoordigers der heidense wijsbegeerte. Tevergeefs zou men nu naar de sofisten en rhetoren, deze vurige woordminnaars en vereerders der schone letteren, gezocht hebben. Zij hebben het eigen leven en eigen bezittingen wel in veiligheid weten te brengen, door de opkomende storm weggedreven als dorre bladeren door de wind. Bij zoveel lafheid kan Chrysostomus zijn gloeiende verontwaardiging niet bedwingen. ,,Waar zijn ze nu," roept hij uit in een homilie, „die mannen met lange mantels, golvende baard, die zo majestueus door de stad wandelden, een stok in de hand? Spotters zijn het en vuige buikaanbidders. Wezens, weerzinwekkender en afzichtelijker dan de vuilste honden."

(4 chrysostomus)

Sluiten