Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV. DE MORALIST EN ZEDENPREKER

In de eerste homilie over de beelden had Chrysostomus vol bezieling uitgeroepen: „Eén enkel man, wanneer hij van ijver ontbrand is, volstaat om gans een volk te hervormen." Dit woord is een bewijs voor de hoge opvatting, die hij had van het predikambt, en tevens een bewijs voor zijn apostolische ijver, zijn geduld en lankmoedigheid. Op het einde van zijn loopbaan, te Constantinopel, na jaren van omgang met hooggeplaatsten zowel als met het gewone volk, en na veel bittere ervaringen, behield hij nog dat vurig hart blakende van warme godsvrucht en mensenliefde. Hoort hoe hij, in een schone peroratie uit die tijd, zijn gelovigen toespreekt: „Als ik geen gevaar liep, van onmatige eerzucht verdacht te worden, dan zoudt gij mij dagelijks stromen van tranen zien vergieten. Maar m'n kleine woning en m'n eenzaamheid kennen die. Gelooft me toch! Ik heb bijkans de hoop op m'n eigen zaligheid prijsgegeven: want terwijl ik uw toestand beklaag, heb ik geen gelegenheid om over de mijne te treuren. Zó zijt gij mij alles! Bespeur ik dat gij in de deugd toeneemt, dan gevoel ik van vreugde mijn eigen gebreken niet; en zie ik, dat gij niet vordert, dan vergeet ik weer van droefheid mij zeiven." Hoort hoe slechts één ding den bisschop, evengoed als den eenvoudigen priester, bekommert: de verbetering van zijn hoorders: „Wat al veranderingen zijn er voorgevallen, sedert ik in deze stad ben ge-

Sluiten