Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den omtrent de arbeid en de beroepen. Zij schamen zich niet te zondigen, God te vergrammen : zij schamen er zich alleen over hun brood op eerlijke wijze te moeten verdienen. De heidenen hebben de arbeid ontadeld en ontheiligd, Christus heeft hem weer op de troon geplaatst. Chrysostomus ziet in den christelijken arbeider die met vreugde zijn werk opneemt, een hoogstaand man, door zijn zedelijkheid verre boven den nietsdoenden rijke verheven en gelukkiger dan hij. Zijn leven is gevuld, vermits de kost van zijn vrouw en het onderhoud van zijn kinderen er van afhangen. Niemand is gerechtigd hem met misprijzen te bejegenen: de magistraten, de rijke heren en de priesters moeten vol eerbied de huizen binnengaan „waar de deugd en de armoede samenhuizen", in de werkplaats van den tentenmaker en den verwer, in de leerlooierij en de smidse. Al is de werkplaats zwart berookt, en al dreunen er de hamerslagen, 't is een heilige plaats. Ergens in een hoek van de werkplaats hangt een bus ('t is ten minste het verlangen van den redenaar) waarin de ambachtsman iedere dag een kleine aalmoes stort, om grotere armen te helpen. Bij zijn arbeid zit een sportieve geest voor, en Gods zegen rust op zijn werk, want hij is zijn dag begonnen met het kerkbezoek. De eentonigheid van het werk wordt door gezang onderbroken; de christelijke arbeider heeft geen slechte liederen op de lippen, hij zet de een of de andere psalm in, waarop dan vrouw en kinderen in koor samenzingen. Zo vindt de arbeider in het werk zijn natuurlijke en bovennatuurlijke

Sluiten