Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI. TEGEN DE SPELEN EN DE ONZEDIGHEID

Wat wij in onze twintig-eeuwse maatschappij ondervinden, ondervond ook en nog veel meer de sociale hervormer Joannes Chrysostomus in zijn dagen. Een wereld vol ongelijkheid en vol ongerechtigheden wordt niet van de ene dag op de ander met sociale rechtvaardigheidszin doordrongen. Hij mocht preken en nog preken over dienstbetoon, menswaardige behandeling der slaven, aalmoezen geven: slechts uiterst moeizaam kon er de christelijke charitas in slagen, de verpeste atmosfeer van een bijna half-heidense maatschappij, te keer te gaan. Hij hoopte op een terugkeer tot sociale rechtvaardigheid voortspruitend uit een innerlijke gezindheid, maar die innerlijke gezindheid bewerken bij mensen, die zich gaan vermeien in bloedige schouwspelen, in wagenrennen, in de woeste genoegens van het Oosten, - hoe moeilijk! Chrysostomus gaat heftig te keer tegen deze haarden van zedenbederf; hij beschouwt ze als de scholen van wellust, als poelen van ondeugden met besmettende uitwasemingen; hij vergelijkt ze met de babylonische vuuroven, waarin de huiselijke vrede verteerd, de huwelijksliefde ontluisterd en van haar zuiverheid beroofd wordt.

De rol, welke deze genotsoorden in het leven van de twee grote steden, Antiochië en Constantinopel, speelden, kan niet worden overdreven. Het volk toog naar de Agora, naar de onchristelijke vermaken van de heidense theaters, naar de

Sluiten