Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

indien de bisschop niet terugkeerde. Na weinige dagen mocht het dankbare volk zijn geliefden Gulden Mond verwelkomen. Het werd een ware zegetocht. De teruggekeerde balling bestijgt de ambon, en spreekt zijn geliefde hoorders toe: „Wat zal ik zeggen of wat zal ik spreken? Geprezen zij God. Dit woord sprak ik bij mijn heengaan, dit hervat ik thans weder, of liever ook daarginds vertoevend, heb ik het niet uit mijn gedachten gezet. Gij herinnert u, hoe ik u Job aanhaalde en zei: de naam des Heren zij geprezen in eeuwigheid. Dit was de afscheidsgroet, die ik u achterliet, dit is de dankzegging, waarmede ik weder optreed: de naam des Heren zij geprezen in eeuwigheid. Verschillend zijn de omstandigheden, maar één is de lofprijzing. Toen ik verdreven werd, prees ik God, nu ik terugkeer, prijs ik Hem. Verschillend zijn de omstandigheden, maar eén het einddoel van winter en zomer; één het einddoel, nl. de bloei van de akker. Geprezen zij God, die toeliet, dat ik in ballingschap ging; geprezen wederom, die mij riep om terug te keren; geprezen zij God, die de storm gedoogde; geprezen zij God, die de storm bedaarde en windstilte gebood. Dit zeg ik om u te leren God te loven. Valt geluk u ten deel ? Prijs God en het ongeluk wordt verlicht Mijn vijanden dachten mij te scheiden van de mijnen, en vreemden hebben ze mij te vriend gemaakt. . . Mogen zij zien gelijk onze God het ziet, welk een vrede hun arglist heeft voortgebracht, welk een glorie zij heeft bereid. Want te voren was alleen de kerk gevuld, maar thans

Sluiten