Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

we, dat als we het goede willen doen, het kwade vlak bij ons is. Het gaat ons, zooals het den dichter van psalm 130 ging. Hij begint te roepen uit de diepte van zijn nood. Maar wanneer hij er mee tot God komt, ziet hij geen nood meer, maar schuld.

Denk aan die diepe regels:

„Zoo gij in 't recht wilt treden,

„O Heer, en gadeslaan „Onze ongerechtigheden,

„Och, wie zal dan bestaan?"

Zoo gaat het ook met den verloren zoon in de gelijkenis. Als hij ver is van het vaderhuis, voelt hij diep, hoe ellendig zijn bestaan is. Maar wanneer hij inkeert tot zichzelf en zich voorneemt tot den vader terug te keeren, spreekt hij niet meer van zijn misère in het vreemde land. In het licht van den vader, dien hij tegemoet gaat, ziet ook hij zijn nood als schuld en snikt: „Vader, — niet: ik heb het zoo ellendig gehad — maar: ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u."

En waar zoo het hart verlangt, daar komt de vervulling.

En die vervulling is Hij, in wien niet alleen de heiligheid des Vaders, maar bovenal Zijn onuitsprekelijke, vergevende liefde ons tegenstraalt.

In Hem en in Hem alleen weet ik dat God mijn Vader is. Toch mijn Vader. Al is het dat ik mij zelf zoo diep moet schamen. Toch mijn Vader. En ik Zijn kind. Toch Zijn kind. Al ben ik niet waardig Zijn zoon genoemd te worden.

Wie daar is, is er. Alle verlangen vervuld. Het leven en de overvloed, overvloed van leven gevonden in de gemeenschap met God.

Sluiten