Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan verrast de eenvoud even door in kaalheid over te gaan.

Toch zijn er menschen, die dit stuk en het volgende een leven lang elk jaar vele malen hardop en zachtkens lezen en ontroerd worden tot onder in hun ziel.

Soms ziet men een mooi schilderij, maar daar is ook alles mee gezegd. Er ligt niets achter. De schilder laat niet zien wat hij verbergt.

Maar Lucas is de patroon der schilders. Hij kan de fantasie achter de dingen eeuwige vrijheid gunnen, mits zij begint zich te onderwerpen aan het streng gegevene. En daarom ontstaan er duizenden liederen, composities, verhalen over Kerstmis en ze zijn zelden mooi genoeg, want elk mensch meent het van binnen eens mooier gezien te hebben, toen of toen, als Lucas II werd voorgelezen. En als hij dan nog gaat buiten den stal in den nacht, zijn daar massa's dingen te zien ondanks donkerheid bij dat vreemde Rembrandtieke licht van de heerlijkheid des Heeren, totdat alle visie verdwijnt voor het veel hoogere: het hooren der hemelsche koren, het meest-gezongen en minst-begrepen lied.

En als ze dan gaan zien het woord dat gesproken is, dan komt de nuchtere Lucas bij den mystieken Johan'nes, die ook spreekt van „zien de heerlijkheid van het Woord."

Zoo staan we met Kerstmis met de voeten op den grond en met het hoofd in de eeuwigheid. Want het kind is zeer werkelijk, maar zonder het woord, dat geschied is, kan het voor de aanschouwers niet anders zijn dan een gewoon kind. Maar met het woord is het mogelijk ootmoedig te knielen „voor de kleene voeten".

Lucas begint in onze huidige wereld met den meest breeden kring van luisteraars en ten slotte zullen overblijven de drie groepen, waarmee hij zijn Kerstverhaal besluit:

Sluiten