Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE FARIZEER EN DE TOLLENAAR.

EEN oneindigheid staan farizeër en tollenaar van elkander af, verder dan het Oosten van het Westen. Alle geographische vergelijking schiet te kort. De tegenstelling tusschen de geïncarneerde deugd en de geïncarneerde ondeugd is wezenlijk en absoluut als die tusschen dag en nacht, leven en dood.

Toch hebben deze diametraal tegenovergestelde geesten één ding gemeen, dat den afstand opheft en hen tot elkander brengt.

Zij beiden zijn geconcentreerd in God en de ziel. Beter gezegd: in hun God en hun ziel. De wereld der wisselende, zichtbare dingen week voor hen terug en werd hun tot tweede, neutrale werkelijkheid. Alles staat of valt met Gods verhouding tot hen, met hun verhouding tot God. De farizeër leeft in God, en zijn gebed tot Hem springt in den blijden dag omhoog als een klaterende, tintelende fontein. De tollenaar sterft in God, en zijn gebed kreunt tot den Eeuwige als de laatste doffe klacht van een gewonde, die eenzaam in den nacht op het slagveld ligt.

Ik weet niet of zij kinderen van hun tijd geweest zijn, en evenmin of zij in onze dagen kinderen van onzen tijd zouden zijn. Ik weet slechts, dat ik hen benijd. Zoo geconcentreerd te mogen zijn! Wij zijn geneigd het overal en nergens te zoeken en turen met hongerige oogen laag over het vlak der aarde, of het geluk ook komen wil. Maar

Sluiten