Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dankbaren zijn de gelukkigen. Onze tijd, die zooveel bezit, is nameloos arm omdat de dankbaarheid ontbreekt. Wij zijn dikwijls teleurgesteld, te verbitterd en te verzuurd om nog te kunnen danken. Maar wij snakken er naar. Wij beseffen bij intuïtie, dat alle teleurstelling, verbittering en verzuring zouden wijken, indien wij slechts één oogenblik konden staan op de hoogte van oprechte dankbaarheid.

Hier zien wij eindelijk een mensch dankbaar in zijn geluk, en gelukkig in zijn dankbaarheid.

Doch nu het vreeselijke.

De gruwelijk-hoogmoedige inhoud van dat dankgebed, overbekend en overberucht, het duidelijkste voorbeeld van hoe er niet gebeden worden moet.

Ik neem den farizeër niet in bescherming. Ik constateer alleen, dat de afstand tusschen hem en ons toch niet zoo geweldig is als hij schijnt. Wij hebben waarschijnlijk nog geen Mont-Blanc van deugdzaamheid bereikt. Maar dan toch wel een bescheiden heuveltopje. „Ik doe dit en ik laat dat". Wij zeggen het misschien niet zoo brutaal-eerlijk hardop. Doch wij hebben er ons toch wel eens innerlijk in verkneuterd, wanneer het ons duidelijk werd, dat het met de positieve lijst van mooie dingen, en de negatieve van onze zonden, nog zoo bitter slecht niet stond.

,,En niet gelijk deze tollenaar".

Dat is de brutale hoogmoed geculmineerd. Zijn eigen deugden uit te spreken en dan een stakker van een medemensch nog een zedelijke knauw te geven. Nu heeft de farizeër toch radicaal bij ons afgedaan. Het zij zoo. Indien wij slechts beseffen, dat wij tegelijk radicaal met onszelf hebben afgedaan. Het is een schoone prestatie bewust op den top van een Alp of van een heuveltje te staan. Maar

H 3

Sluiten