Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spreekt, en er daarna een terechtwijzing aan toevoegt. Als de discipelen bij den storm op zee in angst verkeeren, staat Jezus op, bestraft den wind, en zegt tot de zee: „Zwijg, wees stil"! Daarna volgt de terechtwijzing tot de discipelen: „Wat zijt gij zoo vreesachtig? hoe hebt gij geen Godsvertrouwen?" 5) Als Petrus op het woord van Jezus over de golven wandelt, wegzinkt en uitroept: „Heer, red mij!", strekt Jezus de hand uit en helpt hem. Daarna volgt de terechtwijzing: „Gij kleingeloovige, waarom hebt gij geweifeld?" 6) Als Thomas aan Jezus twijfelt, zegt Jezus tot hem: „Kom met uwen vinger hier en zie mijne handen". Daarna volgt de terechtwijzing: „betoon u niet ongeloovig, maar geloovig". 7) Precies zoo is het hier. Johannes twijfelt. Jezus versterkt hem. Maar onmiddellijk daarop volgt de terechtwijzing: „Zalig is hij, die aan mij niet zal geërgerd worden". Jezus laat Johannes terdege gevoelen, dat zijn twijfel zwakheid is. Zijn vragen is ongeloof. En

toch toch is deze terechtwijzing een terechtwijzing

in den vorm van een zaligspreking. Jezus zegt niet: „vervloekt is hij, die aan mij zal geërgerd worden", maar „zalig is hij, die aan mij niet zal geërgerd worden". Het antwoord van Jezus is scherp, maar zoo tegemoetkomend mogelijk. Dit komt ook hierin uit, dat Jezus niet eischt dat Johannes zich in Zijn wijze van werken zal verheugen, maar alleen zegt: „laat mijn wijze van werken voor u geen aanleiding tot zonde zijn". Dat wil zeggen: Jezus vraagt een minimum. Aanvaardt Johannes dit minimum, dan wordt hij de zaligheid, ook vanuit de kerker van Machaerus, deelachtig.

De leerlingen van Johannes den Dooper gaan weg. Onmiddellijk beginnen de menschen rondom Jezus te praten. Zij geven als hun meening te kennen, dat het met dien

Sluiten