Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verdunt als de olievlek, — op een weinig gelukkig moment door sommigen gebruikt als deugdelijk beeld voor de uitbreiding der kerk — die steeds verder uitvloeit over 't water, maar ook steeds dunner wordt. De Schrift bezigt voor de uitgaande discipelen veel schooner beeldspraak, wanneer zij over hen spreekt als het zout der aarde, dat overal doortrekt, of als het licht, dat naar alle zijden uitstraalt.

★ ★ ★

Christus heeft er twaalf gesteld. Tijdens Zijn leven reeds kwamen er zeventig en meerderen bij. Op den Pinksterdag worden er drieduizend toegevoegd. In het boek der Openbaringen vinden wij de schare, „die niemand tellen kan" 22), maar die daar toch in dieperen zin wel geteld wordt. Zij wordt immers beschouwd als bestaande uit twaalf maal twaalf maal duizend verzegelden 23), de vervulling der menschheid, wier voorbeeld in de twaalf stammen en later in den kring der twaalf apostelen was te zien geweest.

★ * *

Christus gaat nog door de wereld en Hij roept nog discipelen. Het zijn, naar de schoone uitdrukking, Zijn „jongeren". En Hij maakt hen nog tot apostelen. En Hij stelt hen nog in kringen en gemeenschappen, opdat ze bij Hem zouden zijn, en straks uitgezonden worden om alle werken te volbrengen, die Hij in onzen tijd van hen verwacht. Zij zijn daartoe niet terstond bekwaam. Zij moeten vaak door twijfelingen en crisissen heen. In het verkeer met Jezus moeten zij veranderen. Zij zullen misschien wel veelmalen, gelijk Petrus driemaal deed, den Heiland verloochenen. Zij zullen zich vergissen, zij zullen nu eens te

H 5

Sluiten