Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JEZUS EN DE BLINDGEBORENE.

ELK een dag vol van contrasten wordt ons in Joh. 9 beschreven. Aan den eenen kant de over¬

weldigende heerlijkheid, die den blindgeborene ten deel valt, als hem door den Heere Christus het gezicht wordt gegeven, — daartegenover de felle vijandschap der Farizeërs, die hun woede tegen den Christus op den genezene verhalen. Maar 't scherpst wordt dit contrast door den Christus zélf gesteld, als Hij aan 't eind van den dag tot den blindgeborene zegt: Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat degenen, die niet zien, zien mogen, en die zien, blind worden. Want ook hier gaat het als met alle wonderen des Heeren, 't is niet alleen om de genezing van dien man te doen, maar opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden. En waar 't werk Gods in het middelpunt komt te staan, daar is het groote contrast. Altijd zijn er, die zich aan die werken Gods stooten, altijd zijn er, die zich in die werken verheugen. Wij verbazen ons misschien, als wij van dit eerste hooren: Zijn er, die zich aan de werken Gods stooten? Hoe, zijn die werken dan niet volheerlijk in majesteit? Zeker, dat zijn zij! Zie maar, hoe die blindgeborene het gezicht ontvangt! Maar zij leiden u ook dieper in. De wonderen zijn de teekenen van het Koningschap Gods. De wonderen, gij kunt ze op

Sluiten