Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ting voor al zijn getuigen in alle eeuw) vinden en met zijn tegenwoordigheid vertroosten. Ja, nog iets anders doen, hem tot het volle licht brengen. En dit is toch hier en altijd weer 't voornaamste.

Hoor, hoe Jezus zijn werk aan hem voortzet: Gelooft gij in den Zoon van God? En op zijn antwoord: Wie is hij, Heere, opdat ik in hem mag gelooven, neemt Jezus de laatste sluier voor zijn geestelijk oog weg en wijst op zichzelf: Gij hebt Hem gezien en die met u spreekt, dezelve is het, waarop de nu volkomen tot licht gebrachte uitroept: Ik geloof, Heere! en Hem aanbidt.

Hier gaat voor hem helder open die geestelijke wereld, die hij van tevoren getast en gespeurd heeft. Dit is het hoogtepunt: Jezus niet maar weldoener, profeet, hooger dan één der menschen, van God gezonden, maar Gods Zoon. Hier schouwt de blindgeborene tot in het hart Gods. Uit Hem, door Hem, tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid. Die jubel gaat op uit zijn ziel.

Waarom is dit de diepste zekerheid, vraagt misschien iemand onder ons? Is hij reeds niet tot genoegzame zekerheid gekomen in het woord: Eén ding weet ik, dat ik blind was en nu zie. Is het niet genoeg, als een mensch zijn zonden, zijn blindheid, zijn duisternis kent en dan weet, dat hij ziende is geworden, genezen, gereinigd is en tot nieuw leven gebracht? Zouden wij hier niet een tegenvraag kunnen doen: Stelt de drenkeling er geen prijs op te weten, wie hem gered heeft? Zou het niet van zelfzuchtige ondankbaarheid getuigen, als de persoon van den redder hem onverschillig was? Getuigt het dan niet van eenzelfde ondankbaarheid, als de mensch zeggen zou: Jezus' persoon is mij onverschillig, — als ik maar weten mag, dat ik zie? Mij dunkt, dat dit onmogelijk is.

Sluiten