Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gij op 't kritieke moment niet te hulp gekomen met een teeken dat mij terughield, overtuigde van Uw hulp en mij leidde naar de overwinning?

Wat zegt gij? Kent gij deze levensdiepte niet? Lees dan eens héél langzaam, denkend aan uw wandel, ook in het verborgene, dezen regel: Toen begon hij zich te vervloeken en te zweren: „Ik ken den mensch niet". Daarin vindt gij het antwoord.

★ ★ ★

Petrus doorleefde de groote crisis. Het wordt öf redding, öf ondergang. Want God waagt het erop. Nauwelijks is de laatste verloochening uit zijn mond voortgekomen of het hanengekraai doet plotseling in Petrus' hart de herinnering rijzen aan de voorzegging van zijn Meester. Die herinnering — woord voor woord komt boven — maakt, naar den mensch gesproken, den ondergang van den discipel volkomen. Hij gevoelt zich voor het moment gansch ontredderd — ook den tweeden slag heeft hij dien nacht verloren. En deze tweede gold hemzelf. Zou zijn Meester ervan weten? Petrus hoopt misschien van niet. Onwillekeurig wendt hij zijn blik naar de plek waar zijn Heer zoo pas nog stond. Noem het een reflexbeweging. Maar deze onwillekeurige daad heeft een geweldig gevolg. „En de Heer, zich omkeerende, zag Petrus aan". Vreeselijk — wat een schrik! De Meester weet alles. Petrus is weggezonken in zwakheid, ondanks zijn moedig woord — en de Meester is er getuige van. Als eenmaal eerder in zijn leven, zoo is hij gevallen in de diepte — doch nu kan hij niet roepen: Heer, behoud mij! Nu kan hij geen arm uitsteken naar de helpende hand van den Meester. Nu kan hij niet anders dan het gelaat van droefheid omhullen

Sluiten