Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schijnlijk hebben de afgevaardigden van den Hoogepriester Pilatus een rol overhandigd, waarin kort is samengevat de aanklacht: „Deze Jezus van Nazareth geeft zich uit als Koning der Joden. Hij is dus des doods schuldig. Een opstandeling is hij". Hiermede was de beschuldiging van het godsdienstig terrein, waarmede Rome zich niet wilde bemoeien, op het politieke overgebracht.

Opgeruid en opgewonden schreeuwt de schare dooreen: „Hij is een kwaaddoener. Weg, weg met hem".

Pilatus begrijpt wel, dat Jezus op een of andere wijze een boosdoener moet zijn. Bedenkelijk is deze aanklacht: „rebellie". De wet is streng voor opstandelingen. Ook zonder wet wist Pilatus wel oproeren te dempen en leiders te straffen. Maar deze aanklacht uit die hoek kwam hem toch verdacht voor!

Hij vraagt Jezus zelf. Waarschijnlijk sprak hij Grieksch, evenals Jezus.

„Zijt gij de Koning der Joden"?

Elk woord verraadt ingehouden spot!

„Gij Koning Joden "

Jezus antwoordt hem buitengewoon ernstig. Die ernst had de spot moeten verjagen als morgenwind de nevelen

van den nacht: „zegt gij dat uit u zelf"?

★ ★ ★

Pilatus is niet gewend ondervraagd te worden als hij rechtspreekt.

„Ben ik een Jood?" En terstond klinkt het geprikkeld: „Wat hebt gij gedaan?"

Als Jezus met groote rust, kenmerk van den waren koning, Pilatus heeft uitgelegd hoe dit koninkrijk niet van

Sluiten