Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar dan, als wij juist meenen Gods openbaring begrepen te hebben, komt Jezus en slaat ons alles uit de hand: Hij vertelt een gelijkenis. De gasten zijn genood voor het bruiloftsmaal, maar zij verontschuldigen zich. Ziezoo, denken de getrouwen, dat zijn de farizeërs. Nu worden de onwaardigen geroepen. Dat zijn wij, meenen de getrouwen, want het is niet moeilijk zichzelf onwaardig te verklaren, wanneer men de uitnoodiging reeds in zijn zak heeft. Maar nu ziet de Koning een man zonder bruiloftskleed. Die wordt geworpen in de buitenste duisternis. Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. Wat bedoelt Jezus? De getrouwen zien elkaar aan. Zij zijn toch immers geroepen, uitdrukkelijk uitgenoodigd tot het feest. En toch niet uitverkoren? En wat beteekent die nieuwe eisch van het bruiloftskleed? En zij voelen zich lichtelijk ongerust, de getrouwen. Ook wij. Al onze christelijke plannen mislukken. Wij willen met Petrus tenten neerzetten om de heerlijkheid knus vast te houden. Maar Jezus wil zelfs niet, dat over de heerlijkheid gesproken wordt. Het is alsof Hij de vernedering verre verkiest.

Zoo komen wij met de discipelen aan het kruis. En hier, in de dichtste duisternis, wordt ook ons alles duister. Hoe zou hier, in den ondergang van onze hoop, in de verbrijzeling van onze liefde, God zich kunnen openbaren? De held, die het zwaard trok en ons aanvoerde, heeft zich verborgen achter wolken van ellende. De zon gaat schuil. En ook Gods aangezicht. Hoort! Hij klaagt zelf, dat God Hem verlaten heeft. Heeft God dan de wereld verlaten? Is alle openbaring een waan? Wij staan en vertwijfelen. En als wij waarlijk vertwijfelen, als wij aan het einde zijn van al onze heerlijkheden, van onze verteedering en onze stichtelijkheid, van onze deugd en onze vroomheid, dan hooren

Sluiten